Ik ken een man,
Die niet wil praten,
Verlaten in een tijd,
Bevrijd en losgelaten.

Hij kan alleen nog maar alleen,
Zonder anderen te spreken.
Niemand anders om zich heen,
Van z’n wegen afgeweken.

Ik ken een man,
Die niet wil horen,
Geboren om te zijn,
voor anderen verloren.

Eenzaam en alleen,
Lacht hij de mensen toe,
Niet door naar ze te kijken,
Dat is iets wat hij niet doet
Hij kan alleen nog maar alleen,
Zonder zichzelf te verliezen.
Hij leeft Anders dan voorheen,
Heeft voor zichzelf leren kiezen.

Ik ken een man,
Die niet wil wonen,
Gekomen tot het eind
Meedeinend meegenomen

Naar een plek waar hij alleen,
Geen spijt van het leven,
Even niemand om zich heen
Geen keurslijf ingegeven

Ik ken een man,
Die niet wil hangen,
In verlangen naar een droom
Een droom nooit uitgekomen.

Eenzaam en alleen,
Lacht hij de mensen toe,
Niet door naar ze te kijken,
Dat is iets wat hij niet doet
Hij kan alleen nog maar alleen,
Zonder zichzelf te verliezen.
Hij leeft Anders dan voorheen,
Heeft voor zichzelf leren kiezen.

Ik ben zelf die man,
Die man die niet wil praten.
Verlaten in een tijd,
Ik ben bevrijd en losgelaten.

Ik kan alleen nog maar alleen,
Zonder anderen te spreken.
Niemand anders om me heen.
Ben van m’n wegen afgeweken.

Ik ben een man,
Die niet wil horen,
Geboren om te zijn,
Voor anderen verloren.

Eenzaam en alleen,
Lach ik de mensen toe.
Niet door naar ze te kijken.
Dat is iets dat ik niet doe.
Ik kan alleen nog maar alleen,
Zonder mezelf te verliezen.
Ik leef anders dan voorheen,
Heb voor mezelf leren kiezen.